Ruis

Karlien Hoenderdos

Ruis

Karlien Hoenderdos

(Klik op het hoofdstuk om het te kunnen lezen)

We hebben er verschillende woorden voor. Zen, mindful, één, non-duaal. We doen ons best er een beeld bij te creëren maar uiteindelijk komt het neer op een gevoel. Een gevoel waar geen juiste woorden voor zijn. Dus kies ik mijn eigen woord. Stilte.

Stilte komt zomaar, ineens. Je kan het niet vinden want het is er al. Je kan er niet naar luisteren want dan verdwijnt het. Het is een ervaring.

Stilte is een weg. Een weg naar binnen. De stilte in jezelf. En een weg naar buiten. De stilte om je heen en de stilte die je deelt.

In dit boek neem ik je mee op reis. Ik vertel je over de ervaringen in mijn leven die mij geholpen hebben mijn stilte te ervaren. Hiermee hoop ik je te inspireren en te laten beseffen dat ook jij dezelfde reis aan het maken bent om jouw stilte te voelen. Laat dit boek een onderdeel zijn van jouw ontdekking van stilte.

Ik was aan het wandelen met Lewis. Een man wiens leeftijd ik moeilijk kon inschatten door alle zon die hij gezien heeft. Een free-spirit. Lewis was een typische hippie met kleurrijke kleding, cowboyhoed en af en toe een joint. Altijd bezig met het verbeteren van de wereld, je energie halen uit de natuur en oordelen over al het westerse.

We liepen over de keien langs een rivier die uitmondde in de zee. Ik was in Port Elisabeth, als ik het me goed herinner. Zuid-Afrika. Het was fris maar de zon scheen volop en gaf een warme gloed over mijn armen. Als je naar de zee keek moest je je ogen dichtknijpen om het water te kunnen zien. Straks word ik in een middag vijf jaar ouder, dacht ik. Dus ik keek weer naar de kust.

“Heb je gezien hoe de Afrikaanse vrouwen lopen?” vroeg Lewis. Ik zag geen Afrikaanse vrouwen. We liepen daar alleen en in de verte zag je wel wat mensen maar dat waren geen Afrikanen. Toeristen. Bezoekers van het festival waar we naar terug liepen. Dus ik probeerde me een voorstelling te maken van de laatste keer dat ik een Afrikaanse vrouw zag lopen. Ze liep met kleine stapjes en een mand vol kleding op haar hoofd richting een beekje om daar de was te doen. Of was dat alleen een herinnering omdat dat mijn verwachting is van Afrikaanse vrouwen?

“Ze lopen langzaam. Niet eens stap voor stap. Nee, nog langzamer dan dat. Traag.” Lewis keek me aan en in zijn ogen zag ik dat hij bedoelde dat ik langzamer moest lopen. Ik vertraagde mijn pas. “Voel elk stukje van de grond dat je raakt. Elk steentje waar je over heen loopt. Voel hoe je spieren zich bewegen in je voet en je benen.” Hij sloot zijn ogen en bewoog zich millimeter voor millimeter vooruit.

Ik probeerde het te voelen maar kon hem moeilijk bijhouden. Ik was te snel. Even stopte ik en keek ik naar mijn voeten. Misschien zou ik mijn teenslippers uit moeten doen? Dacht ik. Lewis liep immers ook op blote voeten. Ik keek naar de stenen en schelpen om me heen. Het leek me pijnlijk. Daar heb je dikke eelt voor nodig. Maar mijn voeten waren zacht en kwetsbaar en pijn lijden leek me niet de bedoeling. Ik hield mijn teenslippers aan en liep verder zo traag als ik kon.

De afstand tussen mij en Lewis werd steeds groter. Ik draaide me om en zag Lewis in de verte nog steeds diep geconcentreerd, op zijn blote voeten en met gesloten ogen, een millimeter per seconde vooruit bewegen. Het zal wel aan mijn westerse roots liggen.

Lekker knus ingenesteld op mijn bank met een kopje thee en wat chocolade zette ik de televisie aan en begon te scrollen door het aanbod van Netflix. Al snel had ik weer eens last van keuzestress. Het was zondagavond en ik zat alleen in mijn veel te grote huis. Niet eenzaam. Wel rusteloos. Ik had geen zin om iets nuttigs te doen en eigenlijk hou ik niet zo van televisie kijken. Dat maakte de keuze alleen maar lastiger. Gek genoeg kan je de vrijheid van het kunnen kiezen ook als verstikkend ervaren. Alles kan. Dus wat wil ik dan?

Geen serie dit keer. Als ik daar aan begin zit ik hier om 1 uur ’s nachts nog, mezelf kennende, en morgen moet ik weer voor de klas staan. Ik pakte mijn fleecedekentje erbij. Een film dan? Mijn oog viel op de titel Minimalism. Met een zwartwit plaatje uiteraard, want dat is lekker minimalistisch. A documentary about the important things.

Ik dacht aan het huis van een kennis waar ik eerder die maand op bezoek was geweest. De kamer was ontzettend leeg. Geen tierlantijntjes, rommeltjes, accessoires. Een zacht blauwe muur, grijze bank, wit wollig kleed en een rieten stoel die aan het plafond hing. Op een plank stonden een paar boeken en dat was het wel zo’n beetje. Eigenlijk vond ze dat ook teveel. Ik schrok er van hoe kaal het was. Toch ging ik rustiger naar huis dan dat ik binnenkwam ondanks dat we met een groep waren en er een baby bij was.

Minimalism. Wie weet. Dacht ik.

Halverwege de documentaire sprong ik van de bank en begon spullen te verzamelen. De cd’s die ik toch niet af kon spelen. De kaarsjes die ik nooit brandde. En de exotische instrumenten die me gegeven waren. Van die rammeldingen met veertjes. Binnen een mum van tijd stond er op tafel een doos vol met dingen. Ik realiseerde me dat ik veel had gekregen maar ook zelf dingen had gekocht alleen maar als opvulling van mijn huis. Ik snapte dat wel. Alleen wonen kan best wel leeg en kaal aanvoelen. Je wilt het voor jezelf gezellig maken. Dus koop je leuke kaarsjes. Vraag je een vaas voor je verjaardag en krijg je er naast de vaas ook nog wat anders leuks bij.

Waarom had ik dit eigenlijk allemaal? Na een tijdje keek ik om me heen. Dat ga ik niet redden met één doos. Mijn tafel begon aardig vol te raken en de televisiekast leeg. Meteen begon ik me af te vragen of ik díe dan nog wel nodig had. Kon ik de televisie niet ergens anders op zetten? Of moet de televisie dan ook maar weg? Netflix kan je immers ook op een laptop kijken.

Ik plofte terug op de bank en keek naar de rest van de documentaire. In mijn hoofd ging ik alle kamers van mijn huis af en bedacht wat daar allemaal stond wat ik niet nodig had en niet wilde hebben. Ga ik daar echt aan beginnen? Ik merkte het gevoel dat het me gaf als al die spullen weg zouden zijn. Wat een heerlijke leegte. Stilte.

Ja. Dacht ik. Ik ben een minimalist.

Het was de tweede dag van de zomervakantie en ik zat achter op Lewis’ pick-up truck. Een zachte Zuid Afrikaanse warme wind blies zand op mijn armen. Ondanks dat het hier winter was vond ik het aangenaam warm en ik vroeg me af of ik dit land wel zou trekken in de zomer. De zon voelde nu al aardig brandend aan en het licht was fel. Ik hoorde de pick-up truck een brommend geluid maken. Drie mannen en een jonge vrouw, allen voorzien van een backpack, sprongen snel achter op de truck en we vertrokken.

Ik werkte in het onderwijs en vier weken van mijn zomervakantie ging ik naar Zuid Afrika. Ik wilde vrijwilligerswerk doen maar er niet aan vast zitten en er ook niet voor betalen. Dat kon bij Lewis. In een dorpje genaamd Gwenxintaba te zuiden van Durban. Met mijn backpack en de ballast van het pittige schooljaar nog op mijn rug liet ik alles maar gewoon over me heen komen. De reis naar Durban, de enige blanke in de supermarkt zijn, niet de taxi mogen uitstappen voor de chauffeur de juiste bus voor je heeft gevonden, ten huwelijk gevraagd worden door een vreemde, de vluchtige vrienden die andere backpackers ineens zijn en de route door de jungle naar Lewis zijn hostel. Als je the middle of nowhere wil vinden dan moet je daar zijn.

We kwamen aan op een veldje met twee grote ronde hutten. De typisch Afrikaanse huizen. Terwijl ik een rondleiding kreeg werd me duidelijk dat de andere reizigers hier eerder geweest waren. De Engelse jonge vrouw en Spaanse man gingen aan de slag in de tuin en de twee andere mannen bespraken het maken van de geïmproviseerde steenoven.

“Wat kan ik doen?” Vroeg ik. Lewis keek me met een vreemde blik aan. Het leek haast of ik iets verkeerds had gezegd en ik begreep niet waarom. Ik kon niet opmerken of hij rustig was of geïrriteerd. Verbaasd of oordelend. “Ga daar maar zitten” zei hij streng. Hij wees naar een boomstronk aan het eind van het veld. “En als je moet, probeer dan het toilet eens uit”.

De hut van Lewis bevond zich aan de rand van een afgrond. Als een klif maar dan zonder zee eronder. In de verte zag je alleen maar heuvels met af en toe een hutje. Gele heuvels. Door de droogte waarschijnlijk. Naast de boomstronk stond een eigenhandig in elkaar getimmerd hokje zonder deur. Het toilet. De drie wandjes waren voldoende om je privacy te geven, de vierde, open wand, keek uit over de heuvels. Een toilet met uitzicht dus.

Ik ging op de boomstronk zitten en keek voor me uit naar de heuvels. Nu pas merkte ik op hoe gehaast ik was. Hoe ik nog vol in mijn werkmodus zat. En hoe moe ik eigenlijk was van de hele reis hier naartoe. Had Lewis dat gezien? Had hij me daarom hiernaartoe gestuurd?

Ik voelde me onrustig. Hoor ik me niet nuttig te maken net als de anderen? Of ben ik hier ook op vakantie en mag ik ontspannen? De opdracht was in ieder geval duidelijk. Ga eerst maar eens even zitten en genieten van waar je bent. Bizar eigenlijk dat je na twee dagen reizen op een boomstronk zit in de middle of nowhere naast een toilet met uitzicht en in de verte vreemde mensen een geïmproviseerde steenoven aan het maken zijn. En waar iemand aan je ziet dat je niet ontspannen bent en je opdraagt om even te gaan zitten en voor je uit te staren. Dit is precies waar ik hoor te zijn nu. Dacht ik. Ik nam mijn onrust mee, stond op en liep naar het toilet.

Met zes mensen zaten we in kleermakerszit in een kring op de vloerbedekking. Ik kreeg de indruk dat dit een oud kantoorpand was. Blauwe tapijttegels, witte muren en een tl-lamp aan het plafond. Waarschijnlijk waren die te fel en had de trainer om die reden zelf een paar lampen meegenomen. Met de kussentjes en dekentjes om ons heen was het toch nog aardig knus.

Ik moest mijn ogen dicht doen. Me concentreren op de smaken in mijn mond. Het gevoel van mijn tong tegen mijn gehemelte. Mijn ene lip tegen de andere. Ondertussen liep de trainer rond en deelde iets uit. Een klein licht rond dingetje, niet groter dan een muntje van 5 cent. Eetbaar waarschijnlijk aangezien we een oefening rond smaak deden. Ik begon al een lichte paniek te voelen. Wat als ik dat dingetje niet lekker vind? In mijn jeugd lustte ik nooit zoveel. Mensen vonden dat vaak stom en vervelend. Want wat konden ze dan voor me koken? Het maakte me altijd ongemakkelijk als ik ergens anders ging eten. Het was altijd weer spannend of datgene wat op tafel stond bij mij in de smaak viel. Ik schaamde me ervoor maar kon er tegelijkertijd ook niet zoveel aan doen. Als ik het niet lustte kreeg ik geen hap door mijn keel. Alsof iemand zijn hand erop zette en hem dicht kneep.

Mijn moeder had er gelukkig wel vertrouwen in. “Als je ouder wordt”, zei ze altijd, “ga je vanzelf meer lusten. Na je twintigste worden je smaakpupillen minder sterk.” Dat gebeurde ook. Daarnaast werd ik tijdens mijn reizen in verschillende landen flink uit mijn comfortzone getrokken en moest ik wel eten wat de culturele pot schafte.

Maar stel nou dat de trainer nét iets heeft uitgekozen wat ik nog steeds niet lekker vind? Dacht ik. Moet ik het dan toch opeten? De paniek mengde zich met gevoelens van schaamte en kwetsbaarheid. Ik voelde mezelf ineenkrimpen en wilde het liefst mijn ogen open doen en kijken wat het was.

Terug naar de oefening. Ik moest eraan ruiken. Voelen. Tegen mijn lippen houden. Dus ik rook. Voelde. En ik hield het tegen mijn lippen.

Natuurlijk. Een rozijn. En ik hou niet van rozijnen. Wat nu? Straks gaat hij me vragen om die rozijn in mijn mond te doen? Mijn paniek werd groter. Spanning in mijn buik. Ik voelde me belachelijk. Wie gaat er nou moeilijk doen over een rozijn? Kom op Karlien, gewoon mee doen. Nee. Ik wil niet. Ik wil dit niet doen. Tranen rolden over mijn wangen. Vermoeidheid, schaamte, verdriet, stress en paniek. En dat door een rozijn. Had de trainer niet gewoon een toffee kunnen kiezen? Zacht en romig. Zo een die smelt in je mond en lekker aan je tanden blijft kleven. Nee. Het was een rozijn.

Mindfulness. Het jaar ging niet zoals ik had gehoopt en dat gaf me veel stress. Op mijn werk hield ik het niet meer vol en ik besloot om een mindfulness training te gaan doen. En daar zat ik dan. De eerste sessie al in tranen. Wat moesten de anderen er wel niet van denken? Ik voelde me een ontzettende aansteller. En niemand zou het begrijpen natuurlijk. Hoe kan je nu verdrietig worden omdat je een rozijn niet lust?

Alles werd wazig en even leek het alsof ik helemaal alleen was. Prima zo. Laat mij maar. De trainer kwam naar me toe en hielp me om weer kalm te worden. Ik vertelde over mijn problemen met het niets lusten uit mijn jeugd en welke herinneringen bij deze oefening naar boven kwamen. Toch voelde dat als liegen. Het ging niet om de rozijn. Het ging om mij.

“Laten we een meditatie doen.” Zei Lewis. We zaten in het hostel dat hij beheerde. Een hostel dat eigenlijk ook zijn huis was. Hij had het mooi gebouwd. Een typisch Afrikaanse ronde hut van klei en hout met een rieten dak. Binnen had hij tegen de wand een soort van bovenverdieping gemaakt. Diep genoeg voor matrassen om op te slapen en er was zelfs een geïmproviseerd kantoor. Bezoekers konden boven zelf hun matje neerleggen en uiteraard had hij een eigen ‘slaapkamer’. Veel privacy was er niet maar wie naar zijn hostel ging kwam daar ook niet voor. Je kwam daar om te leren. Om kennis te maken met de Afrikaanse gemeenschap en te ontdekken wat permacultuur is. Om te kijken of je iets bij kon dragen aan de gemeenschap en de natuur. Je kwam daar voor de primitiviteit en afzondering van de moderne wereld.

Het haardvuur brandde en we zaten op een grote schommelbank die midden in de kamer aan de steunbalken hing. Zo primitief als het was had Lewis wel een smartphone met daarop muziek en meditaties. “Gewoon je ogen dichtdoen en naar de opname luisteren.” Ik deed mijn ogen dicht.

De muziek begon en een zachte vrouwenstem vertelde me dat ik tot rust moest komen, naar mijn adem moest luisteren en dat ik omgeven was door licht. Ik probeerde te doen wat ze zei maar merkte dat ik afgeleid werd door de muziek. Typische spirituele muziek zoals je die ook bij een massage behandeling krijgt te horen. Vaag of zweverig zoals sommigen dat zouden noemen. Dat hoort je dan tot rust te brengen. Ik vroeg me af of mensen die muziek echt mooi vinden of alleen lekker rustig. Zou iemand dit aanzetten om naar te luisteren? Of alleen om te mediteren? Zelf vond ik er niet zo veel aan. Monotoon en een beetje saai zelfs.

De vrouwenstem was, bij gebrek aan een beter woord, ook zweverig dus dat vulde de muziek goed aan. Mijn Engels was nog niet op het niveau dat ik alles kon verstaan en dat maakte het lastig om gefocust te blijven. Ben ik nu goed aan het mediteren of niet? Ik vroeg me af wat het doel was van deze hele oefening. Moet ik nu stil zijn in mijn hoofd? Als er een doel was dan had ik al gefaald want het lukte me niet eens het doel te ontcijferen.

Mijn concentratie verdween door alle gedachten. Stiekem opende ik mijn ogen. Lewis zat diep geconcentreerd naar de meditatie te luisteren. Het haardvuur brandde en ik besloot mijn aandacht op het vuur te richten.

Op de achtergrond van mijn gedachten bleef de zweverige stem doorgaan. Als dit meditatie is dan ben ik er niet zo goed in, dacht ik. Het duurde me veel te lang en de muziek vond ik irritant. Daarnaast kreeg ik ook niet echt de indruk dat Lewis er zelf baat bij had. Hij had het dan wel vaak over energieën, zen, het universum en dat soort thema’s maar heel erg zen kwam hij op mij niet over.

Toch wist ik ergens wel wat hij bedoelde. Zo’n stilte van binnen. Dat moet toch wel bestaan? Misschien waren we er allebei gewoon nog niet echt klaar voor.

Voor de tweede keer die maand reed ik met een volle auto naar de kringloopwinkel. Wacht even, dacht ik, dit moet op de foto. Ik maakte een selfie.

Diezelfde middag kwam er een vriendin op visite. We zaten op de bank met onze thee en een stukje chocola. “Het wordt wel erg leeg hier”, zei ze. “Je hebt je tv ook weg gedaan dus. Verveel je je dan niet ’s avonds?” Ik moest een beetje lachen. Van alles wat ik had weg gedaan miste ik de tv het minste. Ik voelde me vrij met al die ruimte. Alsof ik er een pieptoon was verdwenen die ik niet opgemerkt had tot hij weg was. Ruis. “Nee joh. Ik merk juist hoe ontzettend veel tijd ik heb”, antwoorde ik. “Sterker nog. Ik verveel me op de een of andere manier juist veel minder. Mijn aandacht gaat alleen nog naar de dingen die ik écht leuk vind. En de tv hoort daar voor mij niet bij.”

Ze leek zowel geïntrigeerd als zorgelijk. “Gaat het wel goed me je? Je bent zoveel weg aan het doen.”

Het was drie maanden nadat ik mijn herkenning vond in het minimalisme. Wat begon met het leegruimen van de televisiekast ontwikkelde zich in het nauwkeurig bestuderen van elk item in mijn huis en beoordelen of ik het nodig had, waardevol vond of niet. Inmiddels was ik bijna wekelijks op pad met het wegbrengen van spullen. Ofwel naar de kringloop of naar de stort. En wat verkocht kon worden werd verkocht.

“Ik heb een paar zakken met kleding. Wil je er even doorheen snuffelen?” Haar ogen werden groot bij het zien van de zakken.

Een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd. Ik weet niet meer wie me dat zinnetje heeft geleerd maar zo ervaarde ik het wel. Elke keer als ik mijn huis weer netjes maakte voelde ik me rustig. Maar dit was anders. Groter. Dit was niet alleen opruimen, organiseren en poetsen. Dit was leeg maken. Zowel mijn huis als mijn hoofd.

Misschien was het ook wel wat drastisch. In korte tijd was mijn huis voor de helft leger. Maar drastisch dat past wel bij mij. Je idee meteen uitvoeren en dan kijken wat het je brengt. Misschien dat daarom niemand zich écht zorgen maakte. Alleen maar een beetje. Laat Karlien maar lekker haar ding doen.

“Ben je niet ergens voor aan het vluchten? Voel je je eenzaam?” Ik dacht er even over na. Ik begreep wel dat het daarop leek. Toch voelde het niet zo. Maar de vraag zette me wel aan het denken. Ik bespeurde bij mezelf een kleine angst opkomen. Wat als ik straks klaar ben? Zal ik dan in een depressie vervallen omdat ik diep van binnen eigenlijk heel eenzaam ben? En wat moet ik eigenlijk met dit grote huis in mijn eentje?

Zorgen voor later. Eerst nog maar een keer naar de kringloop. Ik was ook nog lang niet klaar dus die eenzaamheid zou nog wel even duren. Ik was pas halverwege.

Een paar maanden later sprak ik een collega aan de telefoon. “Sta je in de badkamer?” zei ze nadat ik opnam in een galmend huis. “Nee hoor, ik zit op de bank.”

Ik keek mijn lege woonkamer in en begon te lachen.

Mijn eerste kennismaking met Eddy was een opluchting. Ik kende hem al jaren maar nu had hij voor het eerst een naam gekregen. Ineens was er een identiteit, herkenning en door onze kennismaking voelde ik een diepere verbinding met mezelf. Eddy was mijn wijze heer. Mijn toevlucht, luisterend oor en metgezel. Maar af en toe ook een zeur met zijn kritische blik en altijd streven naar beter.

Soms was Eddy helemaal niet aardig. “Ben je nou alweer moe?” zei hij dan. “Wanneer ga je nu eens fit zijn? Kom op, je bent nog jong. Dit is nergens voor nodig.” Hij wilde het beste voor mij. Een gezond en fit lichaam dat alles aan kan. “Op je 28e hoor je niet moe en futloos te zijn. En verdrietig? Waarom zou je? Je leven is toch goed zoals het is?”

Ik had vaak grote discussies met Eddy. Met name over hoe ik me voelde en hoe ik me zou moeten voelen. Hij accepteerde geen zwakte. En tegelijkertijd was hij ook altijd nieuwsgierig. “Waar komt dat gevoel vandaan dan? Er is toch niks gebeurd?” We gingen dan samen op een persoonlijke queeste. Aan mezelf werken was altijd de beste oplossing. En uiteraard hadden we daar geen hulp bij nodig.

Alles werd geanalyseerd. De mensen om me heen. Wat ze zeiden. Wat ze deden. Wat ik zei en wat ik deed. Overal zat een betekenis achter en ergens moest er een reden zijn om mijn gevoelens te verklaren. Soms werd ik er moe van. Van al dat bezig zijn met mezelf. Maar Eddy gaf nooit op. Hij hield me bezig.

Mijn relatie met Eddy was een haat/liefde verhouding. Ik kon niet mét en niet zonder hem. We waren aan elkaar verbonden. Onafscheidelijk. Toch zijn er vaak momenten geweest dat ik hem graag weg had zien gaan.

Ik zat in de kring met vreemde mensen tijdens de mindfulnesstraining. Les 3. Buiten was het donker en de sfeerlampjes deden weer hun best om van de kantoorkamer toch nog iets gezelligs te maken. Ik voelde me nog steeds wazig. Half aanwezig. En zoals altijd deed ik maar gewoon wat er van me gevraagd werd. Ik luisterde naar de uitleg van de trainer. Probeerde de tekst te lezen maar er kwam weinig binnen. Mijn concentratie was ver te zoeken. “Ik wil dat je je verstand een naam geeft” zei de trainer. Ik keek op. Het klonk me niet eens gek in de oren. Mijn verstand een naam geven. Het maakte me niet zoveel uit wat me uit deze wazige, ongelukkige toestand zou helpen. Als ik me maar weer lekker zou voelen. Dus mijn verstand kreeg een naam. Eddy.

Mijn eerste kennismaking met Eddy was een opluchting. Ik kende hem al jaren maar nu had hij voor het eerst een naam gekregen. En ineens waren mijn gedachten niet meer zo aanwezig. Het was gewoon Eddy, die aan het klagen was.

Misschien ben ik altijd al wel stil geweest. Maar die stilte werd overschaduwd door onzekerheden. Iets in de maatschappij vertelde mij dat het niet ok was om stil te zijn. Outgoing, spontaan, mee gaan in het gesprek. Dat was de norm. Maar ik niet. Ik was stil.

Deels verwijt ik het aan een gebrek aan sociale vaardigheden. Soms wist ik gewoon echt niet wat ik moest zeggen. Ik wilde wel maar alles om me heen ging me te snel.

Toen ik een jaar of 16 was werkte ik in een pannenkoekenhuis. De eerste baan waar ik ontslagen werd. Ik kon zowel het tempo van de gesprekken niet bijhouden als ook het tempo van de horeca niet. Zelfs de afwas hield ik niet bij. Ik vond het dan ook niet zo gek toen ik na een paar weken naar huis werd gestuurd.

Op één van de avonden dat ik werkte zaten we met een aantal collega’s aan een van de grote tafels zelf te eten. Je kon kiezen voor een pannenkoek of wat spaghetti opwarmen. Een pannenkoek natuurlijk. Ik keek om me heen. In een pannenkoekenhuis is het op de een of andere manier altijd donker. Om het lekker knus te maken. Kleine gele lampjes aan de muur. Tekeningen van kabouters en sprookjes. Terwijl ik rond keek was het gesprek begonnen. Het ging uiteraard over hockey. De meerderheid zat bij de club. Maar wat wist ik nu van hockey? Ik luisterde en luisterde en probeerde in te haken in het gesprek. Maar elke keer als ik dacht ‘Ja, dat ga ik zeggen!’ was het onderwerp alweer veranderd. In mijn hoofd deed ik enthousiast mee maar voor de buitenstaander was ik stil.

Misschien boeide het onderwerp me ook niet. Was ik toen al een filosofisch denker? Over koetjes en kalfjes praten is gewoon niet echt mijn ding. Wil je diepgaande gesprekken? Bel me maar.

Het pannenkoekenhuis is mijn sterkste herinnering van mijn ‘sociaal falen’. Maar niet de enige. En na vaak genoeg verlegen genoemd te zijn begon het een vies woord te worden. Verlegen. Alsof stil zijn en luisteren iets slechts is. Vinden we het daarom zo moeilijk om mindful te zijn?

Misschien hoor ik hier gewoon niet thuis, dacht ik, terwijl ik een hap nam van mijn pannenkoek met stroop. Ik begreep hun net zo weinig als zij mij. Dat stille meisje die niet aan hockey doet. En als ze dan wat zegt hoor je haar niet. Maar zij vonden dat een groter probleem dan ik. Stil zijn.

Vijftien jaar later zit ik met collega’s aan een grote tafel in de vergaderzaal. Er zijn net nieuwe fotolijsten binnen met kinderen in ontwikkelingslanden die ook naar school gaan. Vreemd. Zoveel doet onze school niet om die kinderen te helpen. Dus het is eerder confronterend dan inspirerend. Terwijl ik de foto’s bekijk luister ik aandachtig en filter de belangrijke zinnen uit de chaos die verteld wordt. Ik maak wat aantekeningen en wacht mijn kans af.

Ik ben aan het woord. Iedereen valt stil en gezichten draaien mijn kant op. Ze kennen me inmiddels en de verwachtingen zijn hoog. Later vertelt mijn collega: “Je zegt niet veel, maar als je dan wat zegt is het altijd raak.”

Het was de dag dat ik besloot dat ik geen muzikant ben. Een gruwelijk hekel had ik eraan. “Wat doe je voor werk?” “Ik ben muziekdocent.” En vervolgens volgde er een monoloog over hoe fantastisch dat is en oh kon ik ook maar muziek maken en jij bent er vast dagelijks mee bezig, in welke band zit je? Maar dat was ik helemaal niet.

Waar muziek vroeger een passie was werd ik nu geplaagd door een geest die ik niet van me afgeschud kreeg. Hoe krijg je iemand uitgelegd dat je muziekles geeft en zelf helemaal niet meer bezig bent met muziek? Dat is als een zwembad hebben en nooit zwemmen. Rijk zijn en je geld niet uitgeven, ook niet aan het goede doel. Alsof je een gave steelt van de wereld, het met niemand deelt en de luisteraars teleurgesteld naar huis stuurt.

Het hield me bezig. Ik voelde me schuldig naar iedereen die graag muziek zou willen kunnen maken. Zelfs naar de mensen die het opgeven na één gitaarles en alle anderen die denken dat je muziek pas mag spelen als je er fantastisch goed in bent. Want ik kon heel mooi muziek maken. Alleen ik deed het niet.

Maar het was de dag dat ik besloot dat ik geen muzikant ben. En die dag viel er een enorme last van mijn schouders. Het was gewoon een normale zaterdag. Ik was nog geen minimalist en woonde nog niet in mijn veel te grote huis. Ik keek nog tv en keek er ook niet naar terwijl hij toch aan stond op de achtergrond. Er was eigenlijk niets die dag dat zo bijzonder was behalve dat ene idee.

Het idee dat ik creatief ben op zoveel meer vlakken. Ik hield van foto’s maken, schilderen, schrijven, veranderen, vernieuwen, innoveren. Ik zat vol creatieve uitspattingen en muziek was daar soms een onderdeel van. Muziek was voor mij niet het enige in de wereld waarmee ik mijn creativiteit kon uiten. En dat hoefde ook niet. Ik zal vol creativiteit en muziek was niet langer mijn enige toegestane kanaal.

Ik besefte me dat ik met dit idee mijn eigen label had losgelaten. Mijn eigen overtuiging dat je verplicht bent om muziek maken altijd leuk te vinden als je muziekdocent bent. Of simpel weg omdat je het nu eenmaal kan. De overtuiging die me al twee jaar in een writers-block vasthield.

Het waren uiteindelijk niet andere mensen van wie ik last had. Het waren mijn eigen verwachtingen. Mijn ideeën van hoe je als muziekdocent hoort te zijn die niet overeen kwamen met waar ik me mee bezig wilde houden. En het loslaten van dat idee, dat kon ik alleen zelf.

Dus zo geschiedde.

Het volgende hoofdstuk wordt gepubliceerd op:

10 augustus 2020

Geen hoofdstuk missen? Laat je naam en emailadres achter.

Marketing door