Ruis

Karlien Hoenderdos

Ruis

Karlien Hoenderdos

(Klik op het hoofdstuk om het te kunnen lezen)

We hebben er verschillende woorden voor. Zen, mindful, één, non-duaal. We doen ons best er een beeld bij te creëren maar uiteindelijk komt het neer op een gevoel. Een gevoel waar geen juiste woorden voor zijn. Dus kies ik mijn eigen woord. Stilte.

Stilte komt zomaar, ineens. Je kan het niet vinden want het is er al. Je kan er niet naar luisteren want dan verdwijnt het. Het is een ervaring.

Stilte is een weg. Een weg naar binnen. De stilte in jezelf. En een weg naar buiten. De stilte om je heen en de stilte die je deelt.

In dit boek neem ik je mee op reis. Ik vertel je over de ervaringen in mijn leven die mij geholpen hebben mijn stilte te ervaren. Hiermee hoop ik je te inspireren en te laten beseffen dat ook jij dezelfde reis aan het maken bent om jouw stilte te voelen. Laat dit boek een onderdeel zijn van jouw ontdekking van stilte.

Ik was aan het wandelen met Lewis. Een man wiens leeftijd ik moeilijk kon inschatten door alle zon die hij gezien heeft. Een free-spirit. Lewis was een typische hippie met kleurrijke kleding, cowboyhoed en af en toe een joint. Altijd bezig met het verbeteren van de wereld, je energie halen uit de natuur en oordelen over al het westerse.

We liepen over de keien langs een rivier die uitmondde in de zee. Ik was in Port Elisabeth, als ik het me goed herinner. Zuid-Afrika. Het was fris maar de zon scheen volop en gaf een warme gloed over mijn armen. Als je naar de zee keek moest je je ogen dichtknijpen om het water te kunnen zien. Straks wordt ik in een middag vijf jaar ouder, dacht ik. Dus ik keek weer naar de kust.

“Heb je gezien hoe de Afrikaanse vrouwen lopen?” vroeg Lewis. Ik zag geen Afrikaanse vrouwen. We liepen daar alleen en in de verte zag je wel wat mensen maar dat waren geen Afrikanen. Toeristen. Bezoekers van het festival waar we naar terug liepen. Dus ik probeerde me een voorstelling te maken van de laatste keer dat ik een Afrikaanse vrouw zag lopen. Ze liep met kleine stapjes en een mand vol kleding op haar hoofd richting een beekje om daar de was te doen. Of was dat alleen een herinnering omdat dat mijn verwachting is van Afrikaanse vrouwen?

“Ze lopen langzaam. Niet eens stap voor stap. Nee, nog langzamer dan dat. Traag.” Lewis keek me aan en in zijn ogen zag ik dat hij bedoelde dat ik langzamer moest lopen. Ik vertraagde mijn pas. “Voel elk stukje van de grond dat je raakt. Elk steentje waar je over heen loopt. Voel hoe je spieren zich bewegen in je voet en je benen.” Hij sloot zijn ogen en bewoog zich millimeter voor millimeter vooruit.

Ik probeerde het te voelen maar kon hem moeilijk bijhouden. Ik was te snel. Even stopte ik en keek ik naar mijn voeten. Misschien zou ik mijn teenslippers uit moeten doen? Dacht ik. Lewis liep immers ook op blote voeten. Ik keek naar de stenen en schelpen om me heen. Het leek me pijnlijk. Daar heb je dikke eelt voor nodig. Maar mijn voeten waren zacht en kwetsbaar en pijn lijden leek me niet de bedoeling. Ik hield mijn teenslippers aan en liep verder zo traag als ik kon.

De afstand tussen mij en Lewis werd steeds groter. Ik draaide me om en zag Lewis in de verte nog steeds diep geconcentreerd, op zijn blote voeten en met gesloten ogen, een millimeter per seconde vooruit bewegen. Het zal wel aan mijn westerse roots liggen.

Lekker knus ingenesteld op mijn bank met een kopje thee en wat chocolade zette ik de televisie aan en begon te scrollen door het aanbod van Netflix. Al snel had ik weer eens last van keuzestress. Het was zondagavond en ik zat alleen in mijn veel te grote huis. Niet eenzaam. Wel rusteloos. Ik had geen zin om iets nuttigs te doen en eigenlijk hou ik niet zo van televisie kijken. Dat maakte de keuze alleen maar lastiger. Gek genoeg kan je de vrijheid van het kunnen kiezen ook als verstikkend ervaren. Alles kan. Dus wat wil ik dan?

Geen serie dit keer. Als ik daar aan begin zit ik hier om 1 uur ’s nachts nog, mezelf kennende, en morgen moet ik weer voor de klas staan. Ik pakte mijn fleecedekentje erbij. Een film dan? Mijn oog viel op de titel Minimalism. Met een zwartwit plaatje uiteraard, want dat is lekker minimalistisch. A documentary about the important things.

Ik dacht aan het huis van een kennis waar ik eerder die maand op bezoek was geweest. De kamer was ontzettend leeg. Geen tierlantijntjes, rommeltjes, accessoires. Een zacht blauwe muur, grijze bank, wit wollig kleed en een rieten stoel die aan het plafond hing. Op een plank stonden een paar boeken en dat was het wel zo’n beetje. Eigenlijk vond ze dat ook teveel. Ik schrok er van hoe kaal het was. Toch ging ik rustiger naar huis dan dat ik binnenkwam ondanks dat we met een groep waren en er een baby bij was.

Minimalism. Wie weet. Dacht ik.

Halverwege de documentaire sprong ik van de bank en begon spullen te verzamelen. De cd’s die ik toch niet af kon spelen. De kaarsjes die ik nooit brandde. En de exotische instrumenten die me gegeven waren. Van die rammeldingen met veertjes. Binnen een mum van tijd stond er op tafel een doos vol met dingen. Ik realiseerde me dat ik veel had gekregen maar ook zelf dingen had gekocht alleen maar als opvulling van mijn huis. Ik snapte dat wel. Alleen wonen kan best wel leeg en kaal aanvoelen. Je wilt het voor jezelf gezellig maken. Dus koop je leuke kaarsjes. Vraag je een vaas voor je verjaardag en krijg je er naast de vaas ook nog wat anders leuks bij.

Waarom had ik dit eigenlijk allemaal? Na een tijdje keek ik om me heen. Dat ga ik niet redden met één doos. Mijn tafel begon aardig vol te raken en de televisiekast leeg. Meteen begon ik me af te vragen of ik díe dan nog wel nodig had. Kon ik de televisie niet ergens anders op zetten? Of moet de televisie dan ook maar weg? Netflix kan je immers ook op een laptop kijken.

Ik plofte terug op de bank en keek naar de rest van de documentaire. In mijn hoofd ging ik alle kamers van mijn huis af en bedacht wat daar allemaal stond wat ik niet nodig had en niet wilde hebben. Ga ik daar echt aan beginnen? Ik merkte het gevoel dat het me gaf als al die spullen weg zouden zijn. Wat een heerlijke leegte. Stilte.

Ja. Dacht ik. Ik ben een minimalist.

Het was de tweede dag van de zomervakantie en ik zat achter op Lewis’ pick-up truck. Een zachte Zuid Afrikaanse warme wind blies zand op mijn armen. Ondanks dat het hier winter was vond ik het aangenaam warm en ik vroeg me af of ik dit land wel zou trekken in de zomer. De zon voelde nu al aardig brandend aan en het licht was fel. Ik hoorde de pick-up truck een brommend geluid maken. Drie mannen en een jonge vrouw, allen voorzien van een backpack, sprongen snel achter op de truck en we vertrokken.

Ik werkte in het onderwijs en vier weken van mijn zomervakantie ging ik naar Zuid Afrika. Ik wilde vrijwilligerswerk doen maar er niet aan vast zitten en er ook niet voor betalen. Dat kon bij Lewis. In een dorpje genaamd Gwenxintaba te zuiden van Durban. Met mijn backpack en de ballast van het pittige schooljaar nog op mijn rug liet ik alles maar gewoon over me heen komen. De reis naar Durban, de enige blanke in de supermarkt zijn, niet de taxi mogen uitstappen voor de chauffeur de juiste bus voor je heeft gevonden, ten huwelijk gevraagd worden door een vreemde, de vluchtige vrienden die andere backpackers ineens zijn en de route door de jungle naar Lewis zijn hostel. Als je the middle of nowhere wil vinden dan moet je daar zijn.

We kwamen aan op een veldje met twee grote ronde hutten. De typisch Afrikaanse huizen. Terwijl ik een rondleiding kreeg werd me duidelijk dat de andere reizigers hier eerder geweest waren. De Engelse jonge vrouw en Spaanse man gingen aan de slag in de tuin en de twee andere mannen bespraken het maken van de geïmproviseerde steenoven.

“Wat kan ik doen?” Vroeg ik. Lewis keek me met een vreemde blik aan. Het leek haast of ik iets verkeerds had gezegd en ik begreep niet waarom. Ik kon niet opmerken of hij rustig was of geïrriteerd. Verbaasd of oordelend. “Ga daar maar zitten” zei hij streng. Hij wees naar een boomstronk aan het eind van het veld. “En als je moet, probeer dan het toilet eens uit”.

De hut van Lewis bevond zich aan de rand van een afgrond. Als een klif maar dan zonder zee eronder. In de verte zag je alleen maar heuvels met af en toe een hutje. Gele heuvels. Door de droogte waarschijnlijk. Naast de boomstronk stond een eigenhandig in elkaar getimmerd hokje zonder deur. Het toilet. De drie wandjes waren voldoende om je privacy te geven, de vierde, open wand, keek uit over de heuvels. Een toilet met uitzicht dus.

Ik ging op de boomstronk zitten en keek voor me uit naar de heuvels. Nu pas merkte ik op hoe gehaast ik was. Hoe ik nog vol in mijn werkmodus zat. En hoe moe ik eigenlijk was van de hele reis hier naartoe. Had Lewis dat gezien? Had hij me daarom hiernaartoe gestuurd?

Ik voelde me onrustig. Hoor ik me niet nuttig te maken net als de anderen? Of ben ik hier ook op vakantie en mag ik ontspannen? De opdracht was in ieder geval duidelijk. Ga eerst maar eens even zitten en genieten van waar je bent. Bizar eigenlijk dat je na twee dagen reizen op een boomstronk zit in de middle of nowhere naast een toilet met uitzicht en in de verte vreemde mensen een geïmproviseerde steenoven aan het maken zijn. En waar iemand aan je ziet dat je niet ontspannen bent en je opdraagt om even te gaan zitten en voor je uit te staren. Dit is precies waar ik hoor te zijn nu. Dacht ik. Ik nam mijn onrust mee, stond op en liep naar het toilet.

Met zes mensen zaten we in kleermakerszit in een kring op de vloerbedekking. Ik kreeg de indruk dat dit een oud kantoorpand was. Blauwe tapijttegels, witte muren en een tl-lamp aan het plafond. Waarschijnlijk waren die te fel en had de trainer om die reden zelf een paar lampen meegenomen. Met de kussentjes en dekentjes om ons heen was het toch nog aardig knus.

Ik moest mijn ogen dicht doen. Me concentreren op de smaken in mijn mond. Het gevoel van mijn tong tegen mijn gehemelte. Mijn ene lip tegen de andere. Ondertussen liep de trainer rond en deelde iets uit. Een klein licht rond dingetje, niet groter dan een muntje van 5 cent. Eetbaar waarschijnlijk aangezien we een oefening rond smaak deden. Ik begon al een lichte paniek te voelen. Wat als ik dat dingetje niet lekker vind? In mijn jeugd lustte ik nooit zoveel. Mensen vonden dat vaak stom en vervelend. Want wat konden ze dan voor me koken? Het maakte me altijd ongemakkelijk als ik ergens anders ging eten. Het was altijd weer spannend of datgene wat op tafel stond bij mij in de smaak viel. Ik schaamde me ervoor maar kon er tegelijkertijd ook niet zoveel aan doen. Als ik het niet lustte kreeg ik geen hap door mijn keel. Alsof iemand zijn hand erop zette en hem dicht kneep.

Mijn moeder had er gelukkig wel vertrouwen in. “Als je ouder wordt”, zei ze altijd, “ga je vanzelf meer lusten. Na je twintigste worden je smaakpupillen minder sterk.” Dat gebeurde ook. Daarnaast werd ik tijdens mijn reizen in verschillende landen flink uit mijn comfortzone getrokken en moest ik wel eten wat de culturele pot schafte.

Maar stel nou dat de trainer nét iets heeft uitgekozen wat ik nog steeds niet lekker vind? Dacht ik. Moet ik het dan toch opeten? De paniek mengde zich met gevoelens van schaamte en kwetsbaarheid. Ik voelde mezelf ineenkrimpen en wilde het liefst mijn ogen open doen en kijken wat het was.

Terug naar de oefening. Ik moest eraan ruiken. Voelen. Tegen mijn lippen houden. Dus ik rook. Voelde. En ik hield het tegen mijn lippen.

Natuurlijk. Een rozijn. En ik hou niet van rozijnen. Wat nu? Straks gaat hij me vragen om die rozijn in mijn mond te doen? Mijn paniek werd groter. Spanning in mijn buik. Ik voelde me belachelijk. Wie gaat er nou moeilijk doen over een rozijn? Kom op Karlien, gewoon mee doen. Nee. Ik wil niet. Ik wil dit niet doen. Tranen rolden over mijn wangen. Vermoeidheid, schaamte, verdriet, stress en paniek. En dat door een rozijn. Had de trainer niet gewoon een toffee kunnen kiezen? Zacht en romig. Zo een die smelt in je mond en lekker aan je tanden blijft kleven. Nee. Het was een rozijn.

Mindfulness. Het jaar ging niet zoals ik had gehoopt en dat gaf me veel stress. Op mijn werk hield ik het niet meer vol en ik besloot om een mindfulness training te gaan doen. En daar zat ik dan. De eerste sessie al in tranen. Wat moesten de anderen er wel niet van denken? Ik voelde me een ontzettende aansteller. En niemand zou het begrijpen natuurlijk. Hoe kan je nu verdrietig worden omdat je een rozijn niet lust?

Alles werd wazig en even leek het alsof ik helemaal alleen was. Prima zo. Laat mij maar. De trainer kwam naar me toe en hielp me om weer kalm te worden. Ik vertelde over mijn problemen met het niets lusten uit mijn jeugd en welke herinneringen bij deze oefening naar boven kwamen. Toch voelde dat als liegen. Het ging niet om de rozijn. Het ging om mij.

Het volgende hoofdstuk wordt gepubliceerd op:

23 maart 2020

Geen hoofdstuk missen? Laat je naam en emailadres achter.

* indicates required
Volg gedachtenwereld: